| Uitvoering catheterisatie
De patiënt wordt in zijn eigen bed naar de catheterisatiekamer gereden. Daar stapt hij in het algemeen zèlf op de onderzoektafel waar alles tot in de puntjes wordt voorbereid. Er mogen geen infecties optreden en de huid wordt daarom op de plaatsen waar de catheters worden ingebracht goed schoongemaakt met jodium. Daarna wordt de patiënt met grote groene doeken afgedekt. Ook de röntgenapparatuur wordt meestal met dergelijke doeken 'steriel' afgeschermd. De cardioloog en het overige personeel dragen speciale kleding, net zoals dit in operatiekamers het geval is.
De huid wordt, op de plaats waar de catheter moet worden ingebracht, plaatselijk verdoofd. Dit geschiedt door een prik die te vergelijken is met de verdoving bij een tandarts. Een catheter die naar de linkerkant van het hart gaat moet als het ware tegen de stroom opzwemmen: dit gaat door een slagader.
Om naar de rechterkant van het hart te komen gaat de catheter met de stroom mee, via een ader of vene. Of het onderzoek 'vanuit de lies' of 'vanuit de arm' geschiedt, hangt soms af van het onderzoek zelf maar meestal van de voorkeur en de ervaring van de onderzoeker.
De verdoving is alleen nodig voor de huid en de weefsels die daar direct onder liggen: binnen in de bloedvaten voelt de patiënt geen enkele pijn en de catheter kan vrij bewogen worden zonder enige onaangename sensatie voor de patiënt. Hij (of zij) kan dan ook dikwijls zonder ongemak op het monitorscherm volgen wat er gebeurt.
Om een goede indruk te krijgen van de werking van het hart wordt een film gemaakt terwijl er een vloeistof (het eerder genoemde 'contrast') in een van de holten van het hart gespoten wordt. Dit contrast mengt zich met het bloed en vult de holte geheel. De bewegingen van de hartwanden worden dan zichtbaar op de tegelijkertijd gemaakte röntgenfilm. Vaak zal de cardioloog tijdens het filmen de patiënt vragen de adem in te houden. Gedurende het filmen maken de camera en de röntgenapparatuur nogal wat lawaai. Bovendien veroorzaakt de contraststof een gevoel alsof alles, van hoofd tot aan de tenen toe, warm wordt terwijl de patiënt tevens het gevoel kan krijgen alsof hij moet plassen. Deze warmtegevoelens verdwijnen in ca. 15 seconden, in een enkel geval gaan ze gepaard met een kortdurende misselijkheid. Deze laatste komt gelukkig tijdens de rest van het onderzoek niet meer terug. Dit is een van de redenen waarom patiënten voor het onderzoek niet mogen eten: 'nuchter moeten blijven'.
Niet alleen de bewegingen van de wanden van het hart en de vorm van de holten worden vastgelegd, het is ook mogelijk een speciaal voorgevormde catheter bij het begin van de kransslagaderen te leggen. Op deze manier kan een hele kleine hoeveelheid contrastmiddel in de kransslagaderen worden gespoten en kan het verloop van deze vaten zichtbaar worden gemaakt. Vernauwingen kunnen precies worden vastgesteld.
Bij het inspuiten van contrast in de kransslagaderen voelt de patiënt meestal geen warmtegevoel maar hij kan pijnklachten op de borst krijgen. Daarom wordt hem van te voren verteld dat hij dit direct moet zeggen zodat de altijd aanwezige verpleegkundige hiervoor een tablet onder de tong kan leggen. Meestal wordt dan met het onderzoek even gewacht tot de patiënt zich weer goed voelt.
Als het onderzoek, dat ca.1 uur duurt maar soms langer kan uitlopen, geheel is afgelopen en de catheters zijn verwijderd wordt het wondje in de elleboog met een paar hechtingen gesloten. Bij een onderzoek vanuit de lies wordt de aangeprikte plaats geruime tijd met de hand afgedrukt en daarna verbonden. De patiënt gaat daarna van de onderzoektafel terug op zijn eigen bed en dan naar zijn eigen afdeling. De patiënt die via de lies is gecatheteriseerd moet een aantal uren lang bedrust houden met een drukverband. Het been met het drukverband In de lies moet dan stil blijven liggen. Dit plat liggen kan voor de patiënt lastig zijn als hij ontlasting moet hebben of wil plassen. De verpleging weet dit natuurlijk en zal bij dit ongemak helpen.
Het lange stilliggen, zowel bij het onderzoek als daarna is voor patiënten met rugklachten wel eens extra vervelend. De bloeddruk wordt in de eerste uren regelmatig gecontroleerd terwijl bij een onderzoek vanuit de arm ook de pols regelmatig wordt gevoeld.
De diverse onderzoeken waarbij catheters in het hart en in de kransslagaders worden gebracht verlopen meestal zonder enige problemen. Een enkele maal treden bijverschijnselen op zoals een bloeduitstorting op de plaats waar de catheter werd ingebracht, afwijkingen van het hartritme, een overgevoeligheidsreactie op het contrastmiddel of kramp van een kransslagader. Daarnaast treden hoogst zelden echte complicaties op. Stolselvorming in de bloedbaan kan leiden tot een hartinfarct of een hersenbloeding. Ook kan de hoeveelheid vloeistof die wordt toegediend aanleiding geven tot overbelasting van de bloedsomloop en kortademigheid.
In het algemeen hangt de ernst van complicaties samen met de ernst van de hartziekte. Sterfte als direct gevolg van het onderzoek trad in een groot Amerikaans onderzoek op in minder van 1 per 1.000 patiënten.
Het team dat het onderzoek uitvoert is gespecialiseerd in het voorkomen en het behandelen van dergelijke problemen, mochten zij zich voordoen. Door de cardioloog die tot het onderzoek heeft geadviseerd wordt altijd de geringe kans op dergelijke problemen terdege afgewogen tegen de voordelen van de belangrijke informatie die door de hartcatheterisatie wordt verkregen. |