|
Het standaard echo onderzoek.
1. Zorg voor een goede ritmestrook. Zijn er P-toppen zichtbaar?
2. Parasternale lange as.
Tussen de papillairspieren door. Hierin metingen doen:
Einddiastolisch = op het QRS-complex Eindsystolisch = het kleinste volume
De metingen worden gedaan vanuit het 2-D beeld, dus niet in M-mode. Schrijf 1 loop weg naar de server. Trigger de loop van juist voor het eerst QRS-complex tot juist voor het volgende QRS-complex. Zorg ervoor dat dit een regulair stuk van het ritme betreft. Controleer eerst of de loop mooi glad verloopt voordat je hem wegschrijft. Bij atriumfibrilleren: 3 cycli aaneen wegschrijven. Kijk met colour naar AR en MR. Alleen wegschrijven indien relevant.
3. Parasternale korte as.
Ter hoogte van de tip van de papillairspieren. Schrijf 1 loop weg naar de server.
Kijk met colour naar AR en MR. Alleen wegschrijven indien relevant.
Door de aortaklep. Alleen wegschrijven bij bijzonderheden.
Kijk naar rechter atrium, tricuspidalisklep (TV), RV en pulmonalisklep. Meet de systolische gradiënt over de TV en registreer evt PR.
4. Apicale 4 kamerscan.
Goed door de mitralisklep en LA. De aortaklep mag niet in beeld zijn. De RV-diameter moet maximaal zijn. Schrijf 1 loop weg naar de server.
Meet de grootte van RA en LA in lengterichting en dwars. Tevens de diameter van de RV, juist onder de TV, dwars op de lengteas. Meet tevens de TAPSE (Tricuspid Annular Plane Systolic Excursion).
Kijk met colour naar AR en MR. Alleen wegschrijven indien relevant.
Registreer met pulsed wave het instroomprofiel over de mitralisklep, juist tussen de tips van de maximaal geopende klep. Schrijf plaatje weg. Op indicatie: IVRT, e-top, Dt (=deceleratietijd) en a-top.
5. Apicale 2 kamerscan
Door de transducer vanuit de 4-kamerpositie ca. 90 0 tegen de klok te draaien komen alleen LA en LV in beeld met de OW aan de linkerzijde van het beeld.
Schrijf 1 loop weg naar de server.
6 . Subcostale opname
Kijk hierbij met name naar RA en RV. Vaak een goede opname om TR te bekijken en te meten. Meet ook even de maximale diameter van de abdominale aorta. Alleen wegschrijven indien relevant.
7. Aanvullende opnamen op indicatie. Bij aortakleppathologie altijd rechts parasternaal en jugulair of supraclaviculair kijken.
De metingen bij klep en andere afwijkingen
Aortaklepstenose (AS)
Probeer in de parasternale lange en korte as de klep en het bewegingspatroon optimaal in beeld te brengen.
- Meet de maximale snelheid over de aortaklep vanuit apicaal of rechts parasternaal of supraclaviculair (gebruik de hoogste waarde). Soms lukt dit beter met de pencil.
- Meet de snelheid in de LVOT met pulsed wave, ongeveer 1 cm onder de AV. Bij een redelijk LV is dit minstens 1 m/sec. Alleen bij zeer slechte LV's worden belangrijk lagere waarden gevonden.
- Meet de diameter van de LVOT juist onder de aortaklepaanhechting (in de parasternale opname)
Met deze 3 waarden wordt d.m.v. de continuïteitsvergelijking het oppervlak van de aortaklep uitgerekend:
| oppervlak AV = oppervlak LVOT |
* Snelheid in LVOT |
|
Snelheid in AV |
Aortaklepinsufficiëntie (AR)
Hierbij is het belangrijk een indruk de krijgen over de hoeveelheid bloed die teruglekt. Methoden om dit te bekijken zijn:
- De dikte van de jet in de parasternale lange as, gerelateerd aan de diameter van de LVOT.
- De omtrek van de jet in de parasternale korte as, gerelateerd aan de omtrek van de LVOT.
- De pressure half time. Bij ernstige AR benaderd de einddiastolische druk in de aorta die van de LV, hierdoor zal de snelheid van de AR afnemen. Dit geeft een korte PHT. PHT < 250 msec betekent ernstige AR. Let er op de PHT alleen te meten bij een goed signaal. De beginsnelheid van AR moet minstens 4 m/sec zijn, anders heb je waarschijnlijk niet de hele jet te pakken.
- Einddiastolische backflow in de aorta descendens > 18 m/sec betekent ernstige AR.
- Vooral bij acuut ontstaan van de AR zie je vroege sluiting van de mitralisklep. Dit is vooral goed te zien op een M-mode registratie (met ECG).
Mitralisklepstenose (MS)
Bij dit vrij zeldzame vitium zijn 2 dingen belangrijk: ten eerste het oppervlak van de MV en ten tweede de druk in de longslagader (geschat aan de hand van de systolische gradiënt over deTV).
- Meet de gemiddelde diastolische gradiënt over de TV bij 3 slagen (bij atriumfibrilleren meer meten) Trace de curve en het "mitralisklepprogramma" berekent de piekgradiënt en de gemiddelde gradiënt.
- Bepaal de pressure halftime van deze curve: hoe ernstiger de stenose, hoe langer er een drukverval over de klep blijft bestaan. 220/pressure half-time komt ongeveer overeen met het mitralisklepoppervlak.
- Meet de systolische gradiënt over de TV: moet te meten zijn bij MS.
Mitralisklepinsufficiëntie (MR)
De ernst van de klepinsufficiëntie wordt beoordeeld aan de hand van de hoeveelheid bloed die elke systole weer terugstroomt naar het LA.
1.Een indruk hiervan wordt gekregen door het max. oppervlak van deze turbulente jet te traceren en dit eventueel te relateren aan de omtrek van het LA.
|
< 20% |
gering |
| 20-40% |
matig |
|
> 40% |
ernstig |
| of absoluut gemeten het jetoppervlak in cm2 |
|
|
< 4 |
gering |
| 4-8 |
matig |
| > 8 |
ernstig |
2. Terugstroom in de longvenen betekent in het algemeen ernstige MR. Dit moet gemeten worden met PW.
- Bij belangrijke MR: probeer de PISA (Proximal Isovelocity Surface Area) te meten. De flowrate (cm3/s) van het regurgiterend volume = PISA (cm2) x V (cm/s) waarin V de snelheid is van aliasing volgens de Nyquist limiet (instelbaar).
- Soms geeft de vorm van het CW-signaal van de MR aanwijzingen voor een ernstige MR: er is dan een vroege piek en een betrekkelijk snelle afname van de flow. Dit is gerelateerd aan een hoog oplopende druk in het LA
- Meet de systolische gradiënt over de TV.
Atriumseptumdefect (ASD)
Ventrikelseptumdefect (VSD)
Diastolische functie
| Afk. |
Afkortingen |
| RA |
right atrium |
| RV |
right ventricle |
| LA |
left atrium |
| LV |
left venticle |
| LVOT |
left ventricular outflow tract |
| IVS |
inter ventricular septum |
| LVPW |
left ventricular posterior wall |
| PW |
pulsed wave |
| CW |
continuous wave |
| PHT |
pressure half-time (ook: pulmonale hypertensie) |
| ED |
end diastolic |
| ES |
end systolic |
| LVEDD |
left ventricular end diastolic diameter |
| LVESD |
left ventricular end systolic diameter |
| PLAX |
parasternal long axis |
| TV |
tricuspid valve |
| PV |
pulmonary valve |
| MV |
mitral valve |
| AV |
aortic valve |
| TR |
tricuspid valve regurgitation |
| PR |
pulmonary valve regurgitation |
| MR |
mitral valve regurgitation |
| AR |
aortic valve regurgitation |
| TS |
tricuspid valve stenosis |
| PS |
pulmonary valve stenosis |
| MS |
mitral valve stenosis |
| AS |
aortic valve stenosis |
| ASD |
atrial septal defect |
| VSD |
ventricular septal defect |
| VSR |
ventricualr septal rupture |
| Normaalwaarden |
mm |
| IVS |
7-11 |
| LVPW |
7-11 |
| LVEDD |
36-54 |
| LVESD |
23-40 |
| LA (PLAX) |
< 39 |
| LA apicaal lengte |
< 65 |
| LA apicaal dwars |
< 45 |
| RA apicaal lengte |
< 60 |
| RA apicaal dwars |
< 46 |
| RVEDD apicaal |
26-43 |
| RVESD apicaal |
22-36 |
| aorta-ED |
|
| klepring |
< 26 |
| wortel |
21-35 |
| 3-5cm Ao asc. |
21-34 |
| boog |
20-36 |
| Ao-desc |
< 40 |
| Ao-abd |
20-30 |
| TAPSE |
> 15 |
|